Tuesday, 14 November 2017

G. H. Breitner, schilder van allure, 1857-1923

Typografische verschillen bij afbeeldingen

Column  nr 482 dd 14 november 2017

Al eerder in 2014 werden diverse columns geschreven over deze intrigerende kunstschilder, die zijn carrière begon als beroeps/kunstfotograaf. Onder de nrs. 341/342/343/344. moet u ze ergens bij Blogger.com moeten kunnen vinden. Waar het in deze column om handelt, is de zienswijze van diverse kunsthistorici op de schilder en zijn stijl.
Afbeelding zwart/wit uit boek A, M Hammacher

Afbeelding full colour uit boek G.H. Breitner in Amsterdam van J.F. Heijbroek en Erik Schmitz. Deze afbeelding doet meer recht aan het flamboyante werk van Breitner

In de bouwkunst kennen we inderdaad een  Amsterdamsche School met De Klerk etc. Of je deze betiteling nu ook op Isaac Israëls en G.H. Breitner kunt plakken, blijft toch een beetje hangen als een stokpaardje van Bram Hammacher, omdat  termen als laat Haagse School en de Tachtiger schilders meer voertaal tussen kunsthistorici  zijn.  De bron van de stelling van Hammacher is te vinden in het boek Amsterdamsche Impressionisten en hun kring. Het boek dateert uit 1941 en een rood stickertje vermeldt dat het gekocht is in de boekhandel Beatrijs aan de Rijksstraatweg 61 A te Amsterdam en op de eerste pagina staan allerlei gegevens van eigenaren van het boek.A. Schnitke,  Borano, musical-comedian aan de Koornhorst 160 en dan vervolgens nog : voor Herman Kortekaas van Cora Schnitke-Borano  met een datum van 23 september 1987. Het boek was blijkbaar in handen van een artistieke familie die het aan Herman Kortekaas schonken. 
Om toch nog even beter de gedachtegang van Hammacher te kunnen volgen, hier enige passages op pagina 62 : Het werk van de Amsterdamsche impressionisten is anders van karakter. Ïn het meer nerveuze der uitvoering evenzeer als naar den geest, die de schilderende hand stuurt,dan datgene, welk een spiegel  is van heel kalm, haast ontroerend, leven in de opene natuur op een schamel dorpje.
Hierin wordt onbedoeld het verschil tusschen de Haagse meesters en die van de Amsterdamsche periode geraakt. Doch daarmede zijn we er niet. De schilders die in Amsterdam kwamen, hadden hun eigen reactie op de stad..  Erens weet ons een en ander te vertellen over Isaac Israëls In 1885 ontmoet hij hem voor het eerst op de Leliegracht . Hij was een stedeling , ook een wandelaar  bij dag en bij nacht, maar verzot op het leven in de stad. Met Erens toog hij uit op het ontdekken van alle eigenaardigheden van de Amsterdamse stadskwartieren.. Zij biljarten samen, schaakten, reisden. Alle sloppen en stegen , danskelders, café chantants, eenvoudige en deftige gelegenheden van openbaar vermaak waren hun geleidelijk bekend geworden.  De Jordaan, Haarlemmerdijk, en Nieuwendijk maar ook de menschenstroom door de Kalverstraat boeide den jongen schilder, die zee en strand  niet meer als de Hagenaar zag. met bommen op het strand en schelpenvisschers  of in groote verlatenheid, maar vanwege de gezelligheid van het mondain verkeer en het gewriemel van menschen op boulevard en pier. Dienstmeiden, bakkersjongens, slagerknechts, fabrieksmeiden, tingel-tangel meisjes en andere meisjes van plezier, waspitten, koffiepiksters, bevolkten zijn schilderswereld.
Inderdaad zijn het twee heel verschillende werelden en ongetwijfeld zie je dat terug in zijn werk, maar of dat nu heeft geleid tot een heel nieuwe stroming, daarin zal Hammacher toch een beetje in zijn eentje blijven staan. Iedere streek en stad heeft zijn eigen karakter en Isaac Israels heeft zich in Amsterdam thuis gevoeld en dat werkte door in zijn schilderswerk. Geniet van al het moois wat u dagelijks ziet en hoort en juist de verschillen maken het leven de moeite waard. Kunstboeken, adviezen, taxaties, lezingen, essays, columns, gaarne contact via deze blog
drs jjj artes admirans

Wednesday, 8 November 2017

De Amsterdamsche Impressionisten en hun kring

Een boek en een stelling van kunstcriticus en museumdirecteur A.M.Hammacher  1897-2002
Column nr 481 dd. 8 november 2017



G.H. Breitner, Maannacht, olieverf op doek, 71 x 101  Museum d'Orsay  Parijs





G.H. Breitner,  Amsterdamsche vrouwen, 1890, pastel


Je leest een advertentie, dat iemand kunstboeken gaat opruimen en dan ben je als kunsthistoricus gespitst en ga je even kijken. Als je oude banden zie, ben je attent en deze keer ging het om een boekwerk van A. M. Hammacher, een kunstcriticus en museumdirecteur van grote statuur. Van 1947-1963 was hij directeur van Kroller Muller te Otterlo en grondlegger van de beeldentuin te Otterloo. Als je vervolgens nog buitengewoon hoogleraar bent van de TU Delft en een eredoctoraat van de Rijksuniversiteit Utrecht hebt ontvangen, dan mag je de betiteling BN'er wel achter je naam plakken. Tussen al die kunstboeken werd een boek van deze hoogleraar aangetroffen met een bijzondere titel :Amsterdamsche impressionisten en hun kring. Als je na zeven jaar studie kunstgeschiedenis met als specialiteit Moderne beeldende kunst vanaf 1800., dan heb je veel heel kennis vergaard en kennis genomen van alle stromingen en vooraanstaande kunstenaars en dan stel je vast dat je van het verschijnsel  Amsterdamsche Impressionisten, niet hebt gehoord of het hebt gemist, dat je wellicht tijdens een college niet goed hebt opgelet. Kennis genomen van dit boek en getracht erachter te komen wat deze kunsthistoricus heeft bewogen een dimensie toe te voegen aan de kunsthistorie. Eerlijk gezegd is het boek, naar mijn mening, niet erg overtuigend. Maar eerst even kijken naar opzet en argumenten voor de stelling van de heer Hammacher. Op pagina vijf zet hij zijn beweegredenen op papier als volgt : Maar het langzamerhand  omstreeks 1894 ontstane begrip :"Haagsche School" en het zich afteekenen te Amsterdam van andere voelende en willende richtingen heeft werkelijken  en dieperen zin dan een ver gaand particularisme. .Verder schrijft hij dan :  De beweging wordt vaak aangeduid met den alles omvattenden en weinig zeggende naam : de reactie der Amsterdammers. Er is echter een zoo principiële verscheidenheid en inzichten  en verlangens tussen deze jonge menschen ontstaan, de kunst die zij als ideaal voor zich zien is zoo weinig van eenheid en is gericht op zoveel verschillende doeleinden dat van een Amsterdamsche School na de Haagsche evenmin gesproken mag worden, als is er een Amsterdamsch verband. En verder
"Te Amsterdam komen jonge schilders samen, die niet los van de Haagsche formule zijn, maar daarvan wel los willen komen. ......... Dat loskomen van het Haagsche impressionisme betekende voor de een het zoeken naar groteren vormvastheid , voor den ander gespannen aandacht voor het levensdetail, voor weer anderen een breeder opgevat impressionisme met ander palet, tot overwinning van de Haagsche grijzen,

Het blijft nog wel vaag, maar Hammacher stelt vast dat de economische vooruitgang in Amsterdam groter is dan in Den Haag en plakt het epitheton van Amsterdams impressionisme op de schilders Isaac Israëls en G.H. Breitner.  Einde van de beweging komt dan als Breitner in Aerdenhout gaat wonen in 1903. Hoogtepunt van de beweging 1883-1886 uitlopend naar 1903. In het zogenaamde tweede impressionisme rekent Hammacher de volgende schilders tot deze stroming : de reeds genoemde Breitner, Verster, Van Looy, Willem Witsen, Kaspar Karsen, Haverman, J. Veth en Der Kinderen. Zij ondervinden in hun werk, volgens schrijver, het bruisende van een wereldstad en proberen zich te ontworstelen aan het ambtelijke Haagsche  regeringsmilieu.  De Amsterdammers  schilderen met grotere overgave aan het leven, worden er meer door geraakt en vinden waarden van gemeenschapszin en soms ook van eenzaamheid. Van Gogh had in 1883 het atelier van Breitner bezocht en Vincent had op dat moment best wel veel kennis van technieken etc. , maar hij begreep de grote lege kleurplekken en vegen niet, terwijl Breitner hem uiteenzette dat deze bedoeld waren als binding van de delen. Dat is onder meer te zien in zijn werk Vischbank te Rotterdam ui 1882. Geprobeerd om een afbeelding daarvan te vinden, maar dat is niet gelukt, maar de eerste afbeelding hierboven van Maannacht laat ook veel van die grote lege vlekken zien. Als iemand mij die afbeelding kan leveren, houd ik me aanbevolen. Tenslotte nog iets van verbazing . In 2003 werd aan de VU aan een van de mooiste opdrachten gewerkt onder het thema Collectie-onderzoek. Het gekozen thema was stadsgezichten en het werkstuk kreeg de naam mee van Verstilde Stedepracht. Bij de eerste presentatie ontstond er een discussie over het schilderij van Kaspar Karsen : De oude Beurs van Hendrick de Keyser. te Amsterdam , een schilderij uit 1836. Docenten en studenten waren van mening dat dit schilderij eigenlijk niet viel onder de categorie Stadsgezichten. Veel was niet aan te voeren als verdediging en er zat niet anders op dan een ander schilderij te kiezen. Achteraf was die nieuwe keuze interessanter, want in het depot in het havengebied net voorbij de Coentunnel, kon ik het werk van Willem Witsen  de Oude Schans, van dichtbij bewonderen. Het lag daar in opslag en men had het voor mij uit de stelling gehaald en kon er fysiek van genieten. Maar waarom dan dit verhaal, Op pagina 9 van het boek van Hammacher treft je het schilderij van K. Karsen aan onder het hoofdstuk Stadsgezichten.  Ja, denk je dan, waarom vonden in 2003 deze beoordelaars dit geen stadsgezicht??  Het had destijds mij een reis naar Amsterdam gescheeld en veel energie om opnieuw een ander schilderij te moeten analyseren en een entry te maken, maar je dient dat op te vatten als een fase in het leerproces en daar is wat voor te zeggen. Afhankelijk van uw reacties, wordt de volgende column nog aan het boek besteed en in het andere geval ligt er wel een ander onderwerp. op de plank.Geniet van deze u toegeworpen kennis en blijf genieten van al het moois van de kunst. Kunstboeken, lezingen, adviezen, taxaties, rondleidingen etc. contact via deze blog
drs jjj artes admirans. ( kunstbewonderaar = vertaling voor diegenen, die geen Latijn in het pakket hadden)

Wednesday, 1 November 2017

Het realisme van de Haagse School

Voorliefde voor strandtaferelen

Column nr 480 dd 1 november 2017

Het buiten schilderen ( en plein air) ondervond een grote vlucht in de negentiende eeuw.  Dergelijke stromingen duiken van tijd tot tijd op in de kunstgeschiedenis en al schetste men eerder buiten om dan vervolgens in het atelier te schilderen, dat was niet meer nodig, omdat men geen verf meer hoefde aan te maken in de werkplaats. De tuben verf konden meegenomen worden naar buiten. Hieronder een aantal werken van schilders die graag buiten bezig waren





Philip Sadee, de terugkeer van de vissersvloot, 1878, olieverf op doek, Teylers Museum, Haarlem 

Philip Sadee ( 1837-1904), studeerde in Düsseldorf om genreschilder te worden, maar nadat hij zich rond 1870 in Den Haag had gevestigd, ging hij zich toeleggen om het vissersleven in Scheveningen. Zandvoort etc vast te leggen zonder veel sentiment. De armoede en het harde bestaan van de vissers probeerde hij zo realistisch mogelijk te schilderen. Als je naar de opbouw van het werk kijkt, trek je al snel een vergelijking met de Wolga slepers van de Russische schilder Ilja Repin. De vrouwen met de vismanden voorop en dan worden de figuren daarachter steeds kleiner en helemaal achteraan, liggen de vissersboten. Sadee wist in zijn schetsboekjes snel alle bewegingen vast te leggen en zette er dan een tekst bij als :    Zonder vlijt geen zegen. Dat sloeg dan zowel op het harde leven van de vissers, alsook op het werk van de schilder zelf. In tegenstelling tot Jozef Israëls had hij in zijn atelier geen Schevenings hoekje  ingericht. Israëls gebruikte dat dan bij zijn onderwerpen met een vastliggende achtergrond.









Isaac Israëls, Het kenmerk van een dame, 1910-1912, particuliere collectie. Het grote contrast tussen de schilders Jozef en Isaac Israëls, is de penseelstreek. Isaac had een lichtere  penseelstreek en de contouren van zijn werken waren minder scherp, terwijl je het toch niet  impressionistisch kan benoemen. Als u wel eens tekeningen van Isaac gezien heeft, dan heeft u zeker ontdekt, dat hij met een subtiel lijnenspel de afbeelding gemakkelijk oproept



Jozef Israëls, Kinderen der Zee, 1872, olieverf  op doek, Kunsthandel Smit Ommen Dit thema van de 
Kinderen der zee, heeft hij meerdere malen herhaald en een behoorlijk groot schilderij kunt u aantreffen in het Dordrechts museum. Welke afmeting het werk in de kunsthandel heeft, is mij niet bekend, maar het geeft wel een indruk van de stijl van Jozef Israëls. De kunstschilder had de kuststreek opgezocht vanwege zijn gezondheid. Zijn huisarts had hem geadviseerd om daar te gaan werken om de frisse zeelucht op te kunnen snuiven en zo aan zijn lichamelijk herstel te kunnen werken.

Kunstschilders hebben altijd een fijne neus gehad voor boeiende omgevingen. Mondriaan werkte lange tijd in Domburg,  Graag verbleven de schilders in badplaatsen als Zandvoort, Scheveningen, Bergen Nh, . Daar konden zij altijd veel inspiratie opdoen. De schilders van de Haagse School waren er op uit, om alles zo realistische op het doek te krijgen en velen slaagden daar in, zoals ook Mauve, Breitner en niet te vergeten Willem Mesdag die in staat was de golfslag en de golven heel natuurgetrouw te schilderen. Hem werd dan ook een plekje gegund op de Parijse Salon en dat wil wel wat zeggen. Geniet van al dat moois.. Het is nu wel herfsttijd maar er komt na de winter weer een lente en een zomer en een beetje zomer heeft u hier kunnen proeven. Kunstboeken, lezingen, adviezen, taxaties, etc. U kunt contact leggen via deze mail.
drs jjj artes admirans

Wednesday, 25 October 2017

Stillevens van de realisten

Een kant van kunst is de aestetica. Stillevens stralen stilte uit. 

Column nr. 479 dd 25 oktober 2017

In het kunstcollege van Willem Baars in zijn expositie-ruimte begon hij met te stellen dat we het woord "mooi" niet als leidraad dienden te bezigen. Daar is wel wat voor te zeggen. want met dat criterium kan je de moderne kunst zeker niet begrijpen en moet je dieper graven en meer weten om een kunstwerk te vatten en dat is ook boeiend. Maar het realisme heeft de laatste tijd weer behoorlijk grond onder de voeten gekregen en deze stijl slaat net als de moderne kunst evenzeer aan. Als u de onderstaande schilderijen gaat bekijken, zult u vaststellen met hoeveel passie er is geschilderd. Een keuze maken van stillevens is behoorlijk lastig en enkele keren door het boek gebladerd, gekozen en nog een gekozen. Selecteren en laten afvellen. Er is bij alle afbeeldingen echt sprake van verstilling. Neem u het zelf maar waar.

Kees Blom,. ( 1968) let u op het licht op de appels en de schaduw op de bodem

Robert Daalmeijer ( 1972) die lichteffecten in de fles met die punt en dat paneel met bloemen


Hans Dolieslager ( 1950)  Dolieslager wilde geen landschappen meer schilderen, nu een doorkijkje met die fraaie blauwe deur


 Joost Doornik ( 1964) rake typering van het  tafelkleed , de theepot en de twee rode gebakje 

Debora Makkes, 1972, werken van haar te vinden in internationale collecties. Die prachtige lichtval  op die pot. Is die nu van koper, tin, aardewerk, ??

Je kunt van al deze afbeeldingen buitengewoon genieten, omdat ze levensecht zijn en natuurlijk stemt het je ook tevree als je een heel ingewikkeld kunstwerk  goed hebt geanalyseerd en tot de kern bent doorgedrongen en het jezelf hebt eigen gemaakt. Nog even een saillant detail. De vorige keer bij mijn keuze ontdekte ik later een van afbeeldingen voor op de cover staan als een topwerk. Ook deze keer bij het dichtslaan van het boek, zag ik een geselecteerd werk eveneens daar staan. Echt niet van tevoren gekeken. U kunt met volle teugen genieten van deze vier fraaie afbeeldingen. Het leven met zijn wel en wee. nodigt ons ook uit, de mooie dingen te zien en te beleven. Onze geest dient daarmede gevoed te worden om ons leven te blijven waarderen en dat is voor ons een groot voorrecht, maar je dient er wel even de tijd voor te nemen en dat is nodig om de accu van ons bestaan weer op te laden. Geniet dus van de mooie dingen die op uw pad komen. Kunstboeken, lezingen, adviezen, taxaties, rondleidingen, contact via de blog
drs jjj artes admirans
bron : Realisten 2016, uitgave Museum Mohlmann Appingedam

Thursday, 19 October 2017

De kunst van de realisten

Museum Mohlmann Appingedam grote voorvechter van realistische kunst, uiterst boeiend                   

Column nr 478 dd 19 oktober 2017
Joke Frima, lelie schilder, olieverf  40 x 30 cm








Yvonne Melchers , schelpen zoeken, 2007, olieverf op doek 70 x 90 cm



Flip Gaaspendam, Hotel van der Werff, de hotelgasten, olieverf op paneel, 18 x 13 cm 

Lambert, Gevallen engel, olieverf op paneel, 50 x 40 cm 

Van de 107 schilders in het boek Realisten 2017 staan, werden deze vier afbeeldingen gekozen. Achteraf valt op dat gekozen is voor personen en dat doe je dan onbewust, aangetrokken door  de charme van het onderwerp. Je kunt voor naakten kiezen en dat is ook wel boeiend, maar alle personen van de afbeeldingen zijn karakteristiek  De onderschriften zijn ook duidelijk, maar waarom Lambert zijn schilderij Gevallen engel, noemt, dat ontgaat me ook Maar wellicht bedoelt hij dat hij deze vrouw zo mooi vindt, dat ze engelachtig genoemd mag worden. Zou kunnen. Museum Mohlmann was heel lang gevestigd in Venhuizen in Noord Holland in een oude melkfabriek. Meerdere malen bezocht en hoorde dan van de eigenaar, dat ze niet op vakantie gingen om van het vakantiegeld een nieuw werk voor zijn collectie te kopen. Doch ook dit fraaie museum verdween uit de  Westfriese regio omdat de gemeente niet wilde meewerken aan een uitbreiding. Dat gemeentebestuur had te laat in de gaten, wat ze daarmede uit hun handen lieten glippen.  Zij probeerden nog de fout te herstellen, maar dat was te laat en de heer Mohlmann had zijn oog laten vallen op een locatie in het Groningse Appingedam en daar verdween weer een stuk cultuur uit deze regio, zoals dat later ook al in Spanbroek gebeurde. Zijn die Westfriezen dan niet geïnteresseerd in dit soort zaken.??  Dat is een twee drie niet zo te stellen, maar vragen als  Wat kan ik er mee, Wat is het nut , Wat moet je met die oude rommel, zijn uitspraken, die er toch op duiden, dat niet verder wordt gekeken dan de neus lang is. Wellicht heeft het te maken met het harde weerbarstige leven dat eeuwen lang hier is gevoerd. Maar werken en leven EN genieten horen er ook bij. Overigens niets ten nadele van een andere soort cultuur zoals zangkoren, toneelverenigingen, floralia etc. etc. maar de grote kunst zeg maar met de grote K, dat is nog steeds een ver van mijn bed show en alleen de grote musea zoals in Hoorn, Alkmaar en Enkhuizen floreren. En daar komt behoorlijk wat publiek, maar lang niet altijd uit de directe regio. Niettemin mag u van deze realistische kunst met volle teugen genieten.  De schilders getuigen van grote kwaliteit en neem maar aan, dat ze allen met passie en toewijding aan de schilderijen hebben gewerkt. Kijk maar eens naar de houding van die biljarter die zich voorbereidt om te stoten. Dat uitdrukken op een vlak van 18 x 13 cm, is buitengewoon knap en  de ligging van de ballen te zien,- de twee witte en de rode-  maakt het lastig om een carambole te maken. Deze kunst is toegankelijk en net zoals u van een goede scherpe foto kunt genieten, zo is dat ook met deze werken, maar er is geen camera aan te pas gekomen. Nee, een paar mensenhanden. 
Kunstboeken, lezingen, adviezen, rondleidingen, taxaties, etc. neem contact op via deze blog
drs jjj artes admirans 
bron  : Realisten 2016, Museum Mohlmann, Appingedam 

Wednesday, 11 October 2017

De landschappen van Andreas Schelfhout 1787-1879

Andreas Schelfhout, Vuurtoren en visserswoningen in de duinen, olieverf op paneel, 34 x 48 cm, Stedelijk museum, Amsterdam

Het rake treffen van de natuur
Column nr. 477 dd 11 oktober 2017

Na de zware middeleeuwse kost, nu maar een onderwerp dat wat luchtigjes aandoet en waarbij je niet zo diep hoeft te graven. Bijgaande afbeelding komt uit Openbaar Kunstbezit 1958. Nagenoeg alle delen van deze serie werd me destijds aangeboden door een collega, André Dering, die het van zijn vader kreeg. Ook tijdens mijn VU studie was het handzaam en bruikbaar materiaal. Het artikel dat erbij hoort is van de hand van de mij onbekende J. van Wessem, directeur van De Lakenhal te Leiden. Veel gegevens heeft deze directeur geput uit het bekende standaardwerk van mejuffrouw G. H. Marius  De Hollandsche schilderkunst in de negentiende eeuw. Dit boek werd in 1920 uitgegeven. Op een boekenmarkt liep ik dat exemplaar in een goede conditie tegen het lijf en zowel alle delen van Openbaar Kunstbezit alsook laatstgenoemd boek zijn voor mij pareltjes tussen alle kunstboeken.

Als kunsthistoricus wil je graag de locatie herleiden. Is het Domburg, Callantsoog,  Wijk aan Zee, ?? Niets van dat alles. Het is een menging van een aantal locaties zoals Schelfhout hier en daar heeft waargenomen en dat op het paneel heeft toevertrouwd. Zijn oeuvre is groot omdat hij dit soort thema's eindeloos herhaalde en het kan zomaar zijn dat bij een van onze lezers thuis een Schelfhout hangt en om er nu een te kopen, moet je best wel even in de buidel tasten. Wat schrijft de heer van Wessem over dit schilderij. ?  Vergeleken met de kunst van de voorafgaande periode zien wij bij Schelfhout een helderder en warmer coloriet en vooral een innige vreugde om het gewone. In tegenstelling tot wat wij gewoonlijk romantiek noemen, zijn de werken van Schelfhout gemoedelijk van aard. De vreugde die wij eraan beleven is eenvoudig en iedereen kan zijn werk begrijpen.

Het is de taal van de jaren zestig van de vorige eeuw, maar je begrijpt wat hij schrijft

Wordt U er ook vrolijk van als je zo'n pretentieloos werkje ziet ? Ik in ieder geval wel en daarom was mijn voornemen ook om op landschappen af te studeren, maar het kwam er niet van en mijn eindscriptie luisterde naar overigens een boeiend onderwerp De Joodse kunst bij Jozef Israëls. Met heel veel plezier en inspanning aan dit onderwerp gewerkt. Wat schrijft de heer Van Wessem verder nog ? In tegenstelling tot de Haagse School die ook uit zijn kunst is voortgekomen ( dus ook dan Jozef Israëls)- vooral in zijn kleur is hij een van de grondleggers van de latere kunst- zien wij in zijn schilderijen nog de behoefte aan het verhaal. Andreas Schelfhout was nog zozeer een kind van zijn tijd dat zijn werken iets moesten vertellen. De vuurtoren op het schilderij, de visserswoning en het schip op het strand, het zijn niet alleen maar kleurvlekken, zij doen ons ook het verhaal. Om dit duidelijk te maken, heeft de schilder  de zittende verteller op de voorgrond erbij gevoegd.

Je zou bijna zeggen dat het gaat lijken op een striptekening, maar die hadden ze in die tijd nog niet.
En mijn persoonlijke impressie. Ben onder de indruk van die prachtige wolkenpartijen, de lage horizon, de vloeiende lijnen van de duinen, de verschillende kleuren van het zeewater, de vlakverdeling en de frisse kleuren. Houdt u van de duinen en de zee?? Heel veel inwoners van kustplaatsen lopen er dagelijks een rondje of om de hond uit te laten of om gewoon even heerlijk een frisse neus te halen. Dat is genieten. En als u een Schelfhout heeft, koester het dan en laat uw nakomelingen er ook van genieten. Kunstboeken, lezingen, adviezen, taxaties, rondleidingen,essays . U mag me contacten via deze columns

drs jjj artes admirans

Thursday, 5 October 2017

De kloosters in de Middeleeuwen

De economie van middeleeuwse steden draaide voor een gedeelte op kloosters

Column nr 476 dd 5 oktober 2017

Ja, even een geheel ander onderwerp en ook al is het niet het vakgebied van je afstuderen, deze fase in de kunst ( geschiedenis) moet je wel kennen. In de groep van studenten in mijn studieperiode ging een student mediëvistiek studeren en voor dit onderdeel was niet zoveel belangstelling. De VU besloot later het onderdeel op te heffen, zodat studenten moesten uitwijken naar de UVA, UU, of de Radboud universiteit in Nijmegen. Dit onderdeel werd in mijn studietijd zeer uitvoerig behandeld en tijdens een rondleiding geschiedenis in Amsterdam werden ons panden getoond welke als klooster hadden gediend in de middeleeuwen. Van de ene kant waren stadsbesturen erop gebrand veel kloosters binnen de stadsmuren aan te trekken omdat de kloosters maatschappelijke geëngageerd waren en veel goede dingen voor de bevolking, maar van de andere kant ontstonden er wrijvingen als de kloosters concurrerend gingen werken met linnen weverijen, brouwerijen etc. Daar ontstond veel strijd en de kloosters kozen eieren voor hun geld en gingen ook stadsbelastingen betalen. Van de andere kant waren vooral de vrouwenkloosters afhankelijk van een weldoener, in onze tijd zou je het een sponsor noemen. Zoals de geschiedenis leert, zijn er tijden van grote bloei en tijden van verval en dat gold ook voor de kloosters .Zeker na de reformatie . Kloosters moesten gedwongen gesloten worden, omdat het protestantse stadsbestuur het niet langer duldde. Interessant in deze is nu in onze tijd dat er oecumenische gemeenschappen ontstaan zoals in Taize. Een dienst daar bijwonen met al die jongeren is een ervaring die je niet gauw vergeet. Wat gebeurde er dan met de kloosters die ontvolkten.? Was het een slechte bouw, dan werden ze gesloopt.. Waren het bruikbare gebouwen dan kregen ze vaak een andere bestemming, zoals de universiteit Maastricht gehuisvest is in oude kloostergebouwen. 




Kloostercomplex Cluny nabij Dijon. Toonaangevende abdij met grote invloed op de kloosters in heel West Europa. Er zijn nog slechts restanten over zoals wij dat constateerden bij een bezoek aan deze stad

Een overzicht van de talloze orden die ontstonden in steden. Het stadsbestuur wilde de kloosters graag in het centrum van de stad hebben omdat de kloosters zich ontfermden over de zieken en armen en vaak in de parochies de zielzorg behartigden




Hospitium van de cisterciënzerabdij te Aduard. nu in gebruik bij de hervormde kerk. 







Restanten van de abdij van Egmond,. Ten tijde van de beeldenstorm met de grond gelijk gemaakt/. In de jaren 1930 is de abdij in volle glorie herrezen als stichting van de abdij te Oosterhout. Daar zijn de benedictijnen vertrokken en er zit nu een modern oecumenische communiteit in.
Peter Nissen, kerkhistoricus die een artikel schreef in het boek De middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden, op pagina 195 het volgende :In  Leiden werd de in 1575 gestichte universiteit gehuisvest in een voormalig zusterklooster aan de Rapenburg, : de universiteit werd bovendien gefinancierd met de kloostergoederen van onder meer de opgeheven benedictijnenabdij van Egmond. De in 1614 gestichte universiteit van Groningen nam haar intrek in het opgeheven minderbroederklooster. En heden ten dage krijgen de vele seminaries  die werden opgeheven vanwege geen aanmeldingen, bestemmingen als scholengemeenschap ( Hageveld Heemstede,)  cultureel centrum (Mill Hill Hoorn) of een hotelbestemming  (Sint Jan Soesterberg. St. Willibrord Deurne)
Is geschiedenis saai.( een modewoord van onze jeugd)? Nee, beslist niet, maar zoals met alles, je moet enige moeite doen om je er in te verdiepen en de rode draad zien te ontdekken. Geniet van al die mooi oude gebouwen, van alles wat ze voor ons hebben betekend en beoordeel ze op de waarde. Kunstboeken, lezingen, adviezen, taxaties, rondleidingen etc. Contact via deze mail